Home - Suikermuseum - Historiek

Historiek van het gebouw

Op zaterdag 28 september 2002 opende het Suikermuseum in Tienen zijn deuren. Het voormalige Vredegerecht aan de Grote Markt werd omgebouwd tot één van de meest interessante en aangenaamste musea in Vlaanderen.

Het uitzicht van de site (Muziekacademie, Corps de garde en Toreke)

Muziekacademie TienenHet overwegend neoklassieke uiterlijk van de Grote Markt heeft de stad voornamelijk te danken aan twee stadsarchitecten die de toepassing van de principes van deze bouwstijl hoog in het vaandel voerden.

 

Philippe Robiets (1751-1831) was een geboren Tienenaar.
Hij begeleidde als stadsarchitect grote openbare werken en stond in voor de prijsraming en het opstellen van commodo's en incommodo's bij de aankoop van onroerende goederen. Daarnaast leverde hij ook eigen ontwerpen. Naar zijn plannen werd bij het begin van de 19de eeuw de gevel van het hotel de Tinnen Schotel verbouwd (de Muziekacademie). Hij maakte hiervoor gebruik van de Lodewijk XVI-stijl. Deze stijl ontstond in Frankrijk in de loop van de 18de eeuw en vertoonde na de exuberantie van de barok en de rococo de eerste tekenen van een vernieuwde vereenvoudiging en rationalisme. Toen de stijl in de tweede helft van de eeuw in ons land doordrong, werd hij door de lokale architecten verder versoberd. Het hotel de Tinnen Schotel, dat toen nog een particuliere woning was, vormt hiervan een treffend voorbeeld. Waarschijnlijk telt de stad nog veel meer gebouwen die naar zijn ontwerpen werden opgetrokken.

 

Na het overlijden van Philippe Robiets werd de Brusselse architect François Drossaert (1793-1863) als stadsarchitect aangetrokken. Zijn kandidatuur werd door burgemeester Van Dormael  persoonlijk naar voren geschoven, naar eigen zeggen wegens een gebrek aan geschikte kandidaten binnen eigen stad. Hij werd aangesteld tijdens de zitting van 22 juni 1833.

 

De eerste verwezenlijking van François Drossaert dateert uit 1836, toen hij de 17de-eeuwse gevel van het stadhuis transformeerde. In 1835 tekende Drossaert de plannen voor de bouw van het monumentale nieuwe Weeshuis.

 

HistoriekPrentkaart

 

Voorgevel Suikermuseum

 

In 1846 realiseerde hij de verbouwingen van het corps de garde op de Grote Markt (het huidige Suikermuseum). Het oorspronkelijke gebouw was al tijdens de Franse tijd de uitvalsbasis van het pas opgerichte politiekorps geweest. Toen het wachthuis bijkomend onderdak moest bieden aan het nieuwe vredegerecht van het kanton, het bureau van de Burgerlijke Godshuizen en het bureau van de octrooien begon men vanaf 1810 plannen te maken over uitbreiding. Op 27 maart 1830 werd in de gemeenteraad voorgesteld om het aanpalende huis van schepen C. Janssens te kopen. Op 10 april werden de toenmalige stadsarchitect Philippe Robiets en landmeter J.B. Geets belast met het opstellen van een commodo en incommodo en het maken van een schatting. De eigenlijke verbouwingen werden pas in 1846 uitgevoerd. In de sobere opbouw van de voorgevel valt de voorliefde voor de neoklassieke stijl op, maar door het gebruik van rode baksteen bij de afwerking getuigt Drossaert van nieuwe invloeden. Ook bij zijn andere realisaties uit dezelfde periode komen deze nieuwe trends aan bod. In 1848-1850 ontwierp hij de neogotische parochiekerk van O.-L.-Vrouw en St.-Rochus te Boom. En ook hier herkennen wij het gebruik van baksteenmetselwerk, afgewisseld met zandsteen.

 

 

 

 

Het TorekeKunstig gemetselde bakstenen gewelven vinden we eveneens terug in het interieur van de stadsgevangenis. Het project voor de bouw van een nieuwe gevangenis kwam voor de eerste maal aan de orde tijdens de gemeenteraad van 22 juni 1833. Bedoeling was om een doorvoergevangenis te creëren voor gedetineerden die onder begeleiding van de rijkswacht overgebracht werden naar centrale instellingen. Ook de veroordeelden van de politierechtbanken van de twee Tiense kantons en het kanton Glabbeek zouden hier ondergebracht worden. Bij de realisatie van dit project zou de stad instaan voor de levering van de bouwgrond en het terrein voor de kareelovens. Tevens zou de stad de onkosten voor het vervoer van de stenen en de helft van de constructiekosten op zich nemen. Voorlopig kwam er hiervan niet veel in huis. Pas op 13 mei 1847 stelde François Drossaert het eigenlijke ontwerpdossier samen. De nieuwe stadsgevangenis (het huidige museum “het Toreke”) zou gebouwd worden op een terrein achter het corps de garde. Bij de kostenraming werd rekening gehouden met de recuperatie van materialen afkomstig van de gesloopte 18de-eeuwse Gevangenenpoort. De witte plaveien voor de bevloering, de zandsteen, de leien van het dak, het traliewerk en de deuren van de cellen werden in de nieuwe gevangenis geïntegreerd. De kostprijs van het kunstige metselwerk van de pilasters, bogen en kruisgewelven werd door Drossaert op 1537,44 frank geraamd.

 

Waarschijnlijk heeft de recyclage de architect bij het ontwerp geïnspireerd. Qua stijl week dit gebouw totaal af van zijn vroege realisaties. Bewust stapte hij af van de neoklassieke vormgeving en bracht in het nieuwe gebouw een mengstijl van neo-invloeden tot stand. De keuze voor lokale bouwmaterialen als zandsteen en kwartsiet, afgewisseld met rode baksteen kadert volledig binnen dit opzet. Het torentje dat de wenteltrap bekroont, was niet voorzien in het oorspronkelijke concept en werd er tijdens de uitvoering bijgevoegd.